Ontneem hen de moed niet vooraf
Beste leden, collega’s,
Vraag en aanbod bepalen de prijs, zeker voor landbouwproducten. Die prijzen worden grotendeels gevormd op de wereldmarkt, al kunnen transportkosten en regionale marktomstandigheden voor lokale verschillen zorgen.
De laatste maanden bereiken ons opnieuw verontrustende signalen uit de veehouderij, vooral uit de varkenssector. Na de zware crisis van 2022 herstelde de markt zich gedeeltelijk, maar vandaag lijkt de sector opnieuw af te glijden richting de afgrond. Niet alleen staan de marktprijzen onder druk, ook de kosten voor voeder, energie en andere productiemiddelen blijven bijzonder hoog.
Het is niet mijn eigen sector, maar ik hoor toch geregeld dat de marktwerking voor Belgische varkenshouders allesbehalve gunstig is. Wanneer de prijzen dalen, lijken wij steevast als eerste getroffen te worden. Wanneer de prijzen stijgen, profiteren we daar dan weer minder van dan onze concurrenten. Ook in vergelijking met de prijzen in de buurlanden blijven Belgische producenten vaak ondermaats. Als open economie zijn we uiteraard sterk afhankelijk van de internationale markt, maar bij die varkenshouders rijst toch de vraag waarom dit verschil zo hardnekkig blijft bestaan.
Een belangrijke verklaring ligt wellicht in de hoge kostenstructuur hier in België en Vlaanderen. De opeenstapeling van regelgeving, administratieve verplichtingen en bijkomende lasten maakt het voor onze verwerkende industrie steeds moeilijker om competitief te blijven op de wereldmarkt. Daardoor komt het productievermogen van die sectoren onder druk te staan.
Andere sectoren gingen ons hierin al voor. Denk maar aan de textielindustrie, de meubelsector of de auto-industrie, die steeds meer moesten concurreren met goedkopere productie elders in de wereld. Het risico bestaat dat ook de landbouw en de voedingsindustrie dezelfde weg opgaan. Verwerkende bedrijven en toeleveranciers wijzen al langer op de hogere loonkosten ten opzichte van onze buurlanden. Daar komt bij dat milieu- en dierenwelzijnsnormen almaar strenger worden, en dat geopolitieke spanningen de energie- en transportkosten sterk opdrijven.
Met al die bijkomende lasten moeten ook wij als landbouwers dagelijks omgaan. In tegenstelling tot anderen kunnen wij die kosten nauwelijks doorrekenen aan onze afnemers. We moeten ze opvangen door efficiënter te werken of door zelf het verlies te dragen. Net daar zit de grootste frustratie. Landbouwers bevinden zich al hun hele loopbaan tussen hamer en aambeeld. Maar hoelang kan men van ondernemers blijven verwachten dat zij steeds opnieuw meer produceren met minder middelen? Productiviteit heeft immers haar grenzen, zeker nu een groot deel van de landbouwers de pensioenleeftijd nadert en het moeilijker wordt om hetzelfde werktempo aan te houden.
Ongeveer de helft van ons varkensvlees is bestemd voor de binnenlandse markt, al verschilt dat aandeel sterk naargelang het onderdeel van het varken. Die lokale productie heeft een duidelijke maatschappelijke meerwaarde voor de consument. Toch vertaalt die waarde zich onvoldoende in een eerlijke vergoeding voor de producent. Bovendien zal het aandeel voor de binnenlandse markt de komende decennia alleen maar toenemen. Ook voor het deel dat naar het buitenland gaat, staat de kwaliteit van onze Belgische landbouwproducten wereldwijd hoog aangeschreven en nauwelijks ter discussie. Maar de vergoeding volgt niet.
De overheid draagt voor die hoge kostenstructuur een belangrijke verantwoordelijkheid. We leven in een periode van ingrijpende veranderingen. Niet alleen het geopolitieke landschap verschuift in snel tempo, ook technologische ontwikkelingen zoals artificiële intelligentie kunnen de economische verhoudingen grondig hertekenen. Sectoren waarop de overheid de voorbije decennia sterk heeft ingezet, zoals de diensteneconomie, staan mogelijk voor grote uitdagingen en zelfs een gedeeltelijke krimp. Juist daarom zou het zonde zijn om een sector die internationaal uitblinkt in productiviteit, vakmanschap en kwaliteit om louter ideologische redenen aan zijn lot over te laten.
De familiale varkenshouderij mag niet aan haar lot worden overgelaten. Het zou onverantwoord zijn om een model te aanvaarden waarbij steeds meer bedrijven verdwijnen en de productie in handen komt van een beperkt aantal grote spelers met een integratiestructuur. Een sterke en rendabele varkenshouderij is niet alleen van belang voor de landbouwers zelf, maar ook voor onze voedselvoorziening, onze economie en het platteland als geheel. Een nieuwe koude sanering kan er één te veel zijn. De uitdagingen tegen 2030 zijn bijzonder groot. Ontneem hen de moed niet vooraf.




Opmerkingen