Deux virgule cinq pour cent
Beste leden collega’s,
Vorige week schrok ik toch even van een cijfer dat tijdens de voorstelling van een studie werd meegedeeld. Als voorzitter krijg ik regelmatig uitnodigingen voor dergelijke evenementen en wanneer het enigszins past, probeer ik daar ook aanwezig te zijn. De presentatie was niet in mijn moedertaal en hoewel ik zeker niet alles heb meegekregen, zal één cijfer mij waarschijnlijk mijn hele leven bijblijven: 2,5%. Of zoals de Fransen zeggen: deux virgule cinq pour cent.
De studie, met de weinig exotische titel ‘Repartition of consumption expenses on food in the value chain’, onderzocht hoe de toegevoegde waarde binnen de voedselketen wordt verdeeld. Gemiddeld bedraagt de toegevoegde waarde van voeding 52,2%. Wanneer een consument 100 euro uitgeeft aan voeding, vertegenwoordigt dat dus 52,20 euro aan toegevoegde waarde. Die wordt vervolgens verdeeld over overheid (btw en taksen), retail, verwerking, import, horeca en andere schakels in de keten. Voor de land- en tuinbouwer blijft daarvan ongeveer 5% over. Met andere woorden: van elke 100 euro die een Belgische consument aan voeding uitgeeft, bedraagt de toegevoegde waarde voor de landbouwer amper 2,5 euro.
Eerlijk gezegd schrok ik daarvan. Waardecreatie vormt de kern van elke onderneming, maar net daarin blijken we binnen de voedselketen niet uit te blinken. Het is een open deur intrappen wanneer ik zeg dat er voor en na de landbouw goed wordt verdiend, maar dat ons aandeel in de totale voedselbestedingen zo beperkt is, blijft confronterend. Op Europees niveau bengelen we achteraan het peloton. Frankrijk en Italië scoren aanzienlijk beter. Zijn zij dan zoveel sterker in het valoriseren van hun producten? Of is de consument daar simpelweg chauvinistischer en meer bereid om voor eigen producten te kiezen?
Wat ons daarnaast onderscheidt van die grotere landen, is onze zeer open economie. De voedingsindustrie importeert blijkbaar veel grondstoffen om die hier te verwerken en te verkopen. In België loopt het aandeel van de toegevoegde waarde afkomstig van import op tot ongeveer 40% van het totaal. Dat ligt een stuk hoger dan in Frankrijk (27,8%) en Italië (22,9%). Ook de overheid neemt een stevige hap uit de koek via btw en andere taksen, goed voor ongeveer 19%.
Kort samengevat: we produceren veel, maar we verdienen er relatief weinig aan. We werken hard en doen dat meestal met overtuiging, maar we moeten ons vaker afvragen of we wel op de juiste manier bezig zijn. Ik besef dat ik met die uitspraak sommigen uit de anti-landbouwhoek in de kaart speel, maar toch moeten we als land- en tuinbouwers de moed hebben om kritische vragen te stellen. Wanneer alweer een adviseur komt vertellen dat we moeten investeren om verder te groeien, en de overheid dat ondersteunt met een overvloed aan subsidies, moeten we ons durven afvragen of dat altijd de juiste weg is. Heel wat landbouwers hebben die vraag voor zichzelf al beantwoord en kiezen bewust voor thuisverkoop, hoevetoerisme, biologische productie of andere nevenactiviteiten.
De komende jaren zullen we nog meer moeten nadenken over hoe we ons kunnen onderscheiden en vernieuwen. We zullen nieuwe inkomstenbronnen moeten creëren, want de administratieve druk neemt niet af. Tegelijk worden de kosten steeds verder opgedreven door allerlei overheidsmaatregelen, terwijl de maatschappij vaak de andere kant op kijkt. Er bestaat geen eenvoudige toverformule om onze toegevoegde waarde te verhogen, maar één ding is duidelijk: de manier waarop onze sector vandaag wordt behandeld, is op lange termijn niet houdbaar. Tenzij het de bedoeling is dat we langzaam verdwijnen.




Opmerkingen