Less is more
- 20 mrt
- 3 minuten om te lezen
Beste leden, collega’s,
Ik weet niet hoe het bij jullie is, maar ik ben nooit een groot boekenliefhebber geweest, tot ik voorzitter werd en automatisch lid bleek te zijn van de boekenclubs: overheid Vlaanderen, België en zelfs Europa. Nu ik zie hoeveel informatie mij dagelijks bereikt, ben ik onmogelijk in staat om alles te lezen, laat staan te begrijpen.
Neem nu vorige week: de Vlaamse overheid stuurde me het digitale boek ‘Code van goede praktijk voor vul- en spoelplaatsen van spuittoestellen en watercaptatiepunten’ toe. De titel alleen al doet vermoeden dat het geen licht verteerbare lectuur is. En inderdaad, het 69 pagina’s tellende document, dat overigens als ‘leesbaar’ wordt bestempeld, is dan ook de ‘vereenvoudigde’ versie van de Vlarem-wetgeving omtrent deze problematiek. De bedoeling van dit werk is om puntvervuiling van het oppervlaktewater met bestrijdingsmiddelen te voorkomen en op zich is dit nobel.
Maar de eerste vraag die bij me opkwam: is dit niet te laat? Moet de landbouwer nog zwaar investeren in het voorkomen van puntvervuiling, terwijl de overheid er meer moeite voor doet om het gebruik van bestrijdingsmiddelen te ontmoedigen dan te ondersteunen? In de afgelopen zes jaar zijn ongeveer 80 van de 500 erkende actieve stoffen op de Europese markt verdwenen, zonder dat er ook maar één nieuwe bij is gekomen. Het is bijna onmogelijk geworden om een bestrijdingsmiddel erkend te krijgen. Multinationals zien blijkbaar geen heil meer in het investeren in de ontwikkeling en erkenning van producten voor de Europese markt. En toch schrijft men nog steeds nieuwe wetgeving die landbouwers verplicht om te blijven investeren.
De initiële investering valt misschien nog mee dankzij overheidssteun via het Vlif, maar één ding is zeker: daar zal het niet bij blijven. Er zullen onvermijdelijk allerlei audits volgen, waarbij de landbouwer de rekening zal betalen. Want achter elke wetgeving schuilt doorgaans onopvallend een verdienmodel, en ik krijg sterk de indruk dat het vooral draait om dat verscholen model.
De term “administratieve vereenvoudiging” is niet meer dan een modewoord. De groei van nieuwe wetgeving overstijgt immers ruimschoots de afbouw ervan. We hebben onze economie getransformeerd: van een productie-economie naar een diensteneconomie, die zich uitstekend weet te regenereren door steeds nieuwe wetgeving te creëren. Wetgeving die allesbehalve eenvoudig is en die een hele administratieve industrie in het leven roept, met controle en bureaucratie als kernactiviteiten.
Neem nu de aankomende Natuurherstelverordening. Volgens mij is dit niets minder dan de geboorte van een nieuwe economische sector, grotendeels gefinancierd met overheidsgeld. De doelstellingen die men formuleert, zijn onrealistisch. Het feit alleen al dat de natuur “niet mag achteruitgaan” is een onhaalbare eis, omdat de natuurlijke evolutie nu eenmaal geen lineaire, stijgende curve volgt. Ook de aarde zelf heeft door de eeuwen heen altijd natuurlijke schommelingen gekend. Toch zullen de doelstellingen steeds verder worden opgeschroefd, gedreven door groeperingen die beweren dat de natuur in slechte staat verkeert en die daarmee een verdienmodel in stand houden van overheidssubsidies en vrijwilligerswerk.
Natuurlijk moet de natuur vooruitgaan, dat is een positieve ontwikkeling, die wij in de landbouw ook steunen. Maar wat levert het economisch op? Weegt de ecologische winst wel op tegen de kosten voor de samenleving? Is er geen ruimte voor een eenvoudige oplossing, zonder eindeloze wetgeving? Alles moet nu tot in de kleinste details worden vastgelegd, puur om het te kunnen controleren. Tijd dat westerse universiteiten een nieuw vak introduceren: “Less is more” waar men leert dat een eenvoudige aanpak net zo veel impact kan hebben als complexe systemen.

