top of page

Iedereen is voor natuur

4 sep
3 minuten om te lezen

Beste leden collega’s,


Ik wil deze week verdergaan waar ik vorige week ben geëindigd: de actie van Natuurpunt tegen het voorstel van minister Brouns over het voorkooprecht in agrarisch gebied.


Natuurpunt reageert bijzonder scherp op de inperking van wat zij beschouwen als hun vrijheid om, met overheidssubsidies, gronden in agrarisch gebied aan te kopen. Daarbij wordt echter vaak voorbijgegaan aan een belangrijke realiteit. Wanneer natuurverenigingen gronden met eigen middelen aankopen, geldt dat voorkooprecht al niet. Tegelijk beschikken zij in natuurgebieden wel over hetzelfde voorkooprecht, terwijl een privépersoon daar nooit aanspraak kan maken op aankoopsubsidies. Dat is meteen een eerste scheeftrekking in het systeem, waarbij natuurverenigingen duidelijk bevoordeeld worden.


Daarnaast ontstaat er een tweede ongelijke situatie. Zodra natuurverenigingen wel gronden met subsidie verwerven in agrarisch gebied, kunnen zij dan zonder vergunning overgaan tot bebossing. De officiële bestemming van die gronden verandert daarbij niet, maar in de praktijk betekent een nieuw bos vaak een quasi definitieve functiewijziging. En dat komt uiteindelijk op hetzelfde neer. Een landbouwer die een bos aankoopt, beschikt omgekeerd niet over het recht om zonder vergunning te ontbossen, zelfs niet wanneer dat bos zich in agrarisch of herbestemd agrarisch gebied bevindt. Ook hier lijkt het evenwicht zoek. Dat brengt ons bij een nog fundamenteler probleem. Wat gebeurt er met de landbouwpercelen die grenzen aan nieuwe bebossing? Elke landbouwer weet dat een bos naast zijn perceel vaak financiële nadelen met zich meebrengt: bijkomende beperkingen, mogelijke opbrengstverliezen, wildschade en andere gevolgen die de exploitatie bemoeilijken. Het hoeft geen betoog dat dergelijke factoren ook een negatieve invloed zullen hebben op de waarde van de omliggende landbouwgronden.


Stel u eens voor dat u als eigenaar grond verkoopt en dat Natuurpunt, gesteund door subsidies, de hoogste bieder is. Achteraf komt u er echter achter dat de zittende landbouwer de grond voor een veel lagere prijs kan kopen, omdat hij gebruikmaakt van zijn voorkooprecht uit deze wetgeving. Of erger nog: dat hij dit voorkooprecht vervolgens overdraagt aan een financiële groep die hem in ruil daarvoor een loopbaanpacht aanbiedt. De eigenaar verkoopt dan zijn grond aan een niet afgesproken prijs aan een derde waar hij misschien totaal niet aan zou verkopen. Daarmee kom ik automatisch bij mijn derde en wellicht belangrijkste punt: de mogelijke waardedaling van landbouwgronden door het nieuwe systeem van voorkooprechten voor landbouwers en natuurverenigingen, waarbij de prijs wordt bepaald door VLABEL. In de praktijk dreigt dit neer te komen op mogelijks een nivellering van de grondprijzen binnen een bepaalde regio.


Of die vastgestelde waarde steeds overeenkomt met wat eigenaars als een eerlijke marktprijs beschouwen, valt te betwijfelen. Vraag het maar aan de eigenaars van gronden waarop Ventilus-pylonen worden geplaatst. Hoewel de situatie niet volledig vergelijkbaar is, toont ze wel aan hoe gevoelig waardebepalingen liggen. De waarde van grond wordt immers door tal van factoren bepaald en achteraf blijft er vaak een gevoel van onvrede bestaan. Bovendien vergelijkt men zich meestal met de hoogste prijzen die ooit in de regio zijn betaald. Volgens mij bestaat het risico dat landbouwgrond door dit systeem, in die gebieden, in een neerwaartse prijsspiraal terechtkomt. Het kan toch onmogelijk de bedoeling zijn dat na de mogelijke prijsstijgingen door aankoopsubsidies nu een mechanisme wordt ontwikkeld om de prijs terug te doen dalen. Dit lijkt leuk en zelfs wenselijk. Alleen, wat zijn de andere mogelijke consequenties? Vaak hebben goedbedoelde maatregelen neveneffecten die men vooraf niet heeft voorzien, en dit zou er wel eens één van kunnen zijn. Op die manier dreigt de natuurlijke marktwerking in deze gebieden verstoord te raken. Tegelijk kunnen de prijzen in andere regio’s juist verder stijgen, omdat de vraag zich daarheen verplaatst.


Voor ons is de zaak nochtans helder: agrarisch gebied is bestemd voor landbouw en dat moet ook zo blijven. Maar wanneer agrarisch gebied steeds vaker wordt opgenomen in natuurherstelplannen, ontstaan onvermijdelijk spanningen. Hoe nobel de intenties ook zijn, men dreigt terecht te komen in situaties waarvan de gevolgen vooraf onvoldoende werden ingeschat. Die gevolgen zullen bovendien niet alleen de landbouw treffen, maar op termijn mogelijk ook de bredere maatschappij en het bedrijfsleven.


Iedereen is voor natuur. Daar bestaat weinig discussie over. Maar de context die met dit voorstel wordt gecreëerd, lijkt mij weinig gunstig voor de landbouw. Wanneer de gemiddelde landbouwer vandaag 57 jaar oud is, betekent dit dat heel wat gronden die momenteel in gebruik zijn de komende decennia zullen vrijkomen en mogelijk op de markt komen. Als er dan een systeem ontstaat waarin voorkooprechten een belangrijke rol spelen, dreigt er een vorm van koehandel te ontstaan met andere financiële partners. Bovendien rijst de vraag hoeveel landbouwers werkelijk over de financiële middelen beschikken om snel gronden aan te kopen. Zeker jonge landbouwers investeren hun schaarse kapitaal liever in de uitbouw en modernisering van hun bedrijf dan in dure grondaankopen. Het risico bestaat dan ook dat zij in deze concurrentiestrijd uiteindelijk het onderspit delven, terwijl het net hun toekomst is die men zou moeten versterken en niet dat van natuurbewegingen en financiële groepen.

Opmerkingen


bottom of page